College van de maand: Houtskoolmeilers – antropogene landschapselementen

Deze maand nemen we een klein antropogeen uitstapje. In onze colleges hebben we het vaak over grootse landschappen die over duizenden jaren heen door de geologie gevormd zijn. Het is natuurlijk erg mooi om alleen op de natuurlijke vormingsprocessen te focussen, maar de mens heeft ook veel invloed gehad op zijn omgeving en daarmee het landschap veranderd. Door de tijd heen is de mens op verschillende manieren actief geweest. Sommige kleinschalige landschapsvormen zijn bijvoorbeeld ontstaan door de behoefte aan brandstof.

Efficiënte brandstof
Afb. 1. Een brandende houtskoolmeiler in het LWL-Freilichtmuseum Hagen, een Duits openluchtmuseum. Bron: Wikimedia
De mens heeft altijd al brandstof nodig gehad voor dagelijkse behoeften als het bereiden van voedsel en het verwarmen van huizen. Houtskool is een efficiëntere brandstof dan kaphout. Kaphout verwarmd namelijk grotendeels via convectie van de warme lucht die ontstaat door de vlammen.

Deze lucht moet vervolgens in contact komen met de pot waarin wordt gekookt om deze te verwarmen. Bij het branden met houtskool zorgen de gloeiende kolen voor veel stralingswarmte die de pot indirect verwarmen zonder veel energie kwijt te raken aan het opwarmen van de lucht. Daarbij is houtskool ook goed geschikt om in een kleinere ruimte verbrand te worden omdat er geen vlammen ontstaan en er nauwelijks rook vrijkomt. Maar voor het koken met houtskool, moet deze eerst geproduceerd worden. Hiervoor worden al eeuwenlang houtskoolmeilers gebruikt (afb. 1).

Houtskoolmeilers
Afb. 2. Een schets van de doorsnede van een houtskoolmeiler. Hout wordt opgestapeld in een gegraven gat, bedekt met een laag bladeren en kleine takjes en afgedekt met de afgegraven grond.
Een houtskoolmeiler is kortgezegd een grote, met grond afgedekte stapel hout. De oudste houtskoolmeilers werden al vanaf de Romeinse tijd gemaakt door een gat in de bovenste laag grond te graven. Afhankelijk van de schaal van het productieproces kon deze kuil erg in grootte verschillen. Voor een huishoudelijk gebruik waren gaten met een doorsnede van zo’n twee meter voldoende. Voor houtskoolproductie met industriële doeleinden, bijvoorbeeld voor de ijzerindustrie die vooral in de middeleeuwen veel opkwam, werden veelal grotere meilers aangelegd. In het gat werd het kaphout dicht op elkaar gestapeld op een onderste open raamwerk van stammen die zorgen voor een goede luchttoevoer onder de stapel door.

Vervolgens werd het hout afgedekt met een dikke laag twijgjes en bladeren met daarbovenop de afgegraven aarde. Een klein gat werd overgehouden om als schoorsteen te dienen (afb. 2). De laag aarde zorgt ervoor dat het hout niet in vlammen op gaat. De luchtdichte laag voorkomt een te grote zuurstoftoevoer, zo kan het hout verkolen zonder geheel te verbranden en zonder vlammen. Dit verkolingsproces vergt enige expertise. De meiler moet tijdens het verkolen continue in de gaten gehouden worden. Bij het inzakken van de stapel door het krimpen van het hout moeten scheuren in de laag aarde worden dichtgestopt om de verkoling gecontroleerd te laten verlopen.

Helaas kon het verbrandingsproces niet helemaal goed worden gecontroleerd in deze kuilen en de kwaliteit van de resulterende houtskool kon dan ook sterk verschillen. Het gehele proces van houtskoolproductie in een meiler is erg langdurig, allereerst moet de stapel gebouwd worden, wat enkele uren duurt. Maar de meeste tijd zit in het wachten tot de verbranding en het afkoelen gereed zijn, wat enkele dagen tot weken kan duren. Daarnaast moest na elke verbranding de stapel weer helemaal opnieuw opgebouwd worden, wat het productieproces extra intensief maakte.

Voorkomen
Afb. 3. Een grote houtskoolmeiler in Duitsland voordat deze bedekt is met aarde. De schoorsteen is in het midden van de stapel is geplaatst en er wordt geen kuil gegraven. Bron: Wikipedia
Houtskoolmeilers zijn momenteel in veel landen, waar geen ‘modernere’ brandstof voorhanden is, nog steeds de primaire manier van houtskoolproductie. Wel zijn er door de jaren heen steeds geavanceerdere constructies ontstaan (afb. 3).

Zo werden er in Zweden bijzonder grote constructies gebouwd waarbij het hout direct wordt gestapeld zonder eerst een gat te graven. Tot halverwege de twintigste eeuw waren deze meilers de voornaamste bron voor houtskool bestemd voor de Zweedse ijzerindustrie.

Daarnaast werden er ook stenen en metalen ovens ontwikkeld, deze hebben het voordeel dat ze niet elke keer herbouwd moeten worden na gebruik. Afhankelijk van hoe geavanceerd de houtskoolmijter was, konden er ook vloeibare bijproducten gewonnen worden. Door het graven van geulen in de bodem van de houtskoolmeiler werd bijvoorbeeld teer verworven.



Effect op het landschap
In Nederland zijn resten van houtskoolmeilers voornamelijk in het oosten van het land terug te vinden. De houtskoolmeilers werden direct in het bos gebouwd, zo dicht mogelijk bij de plaats waar het hout gekapt werd. Op de Veluwe werden tot halverwege de vorige eeuw nog houtskoolmeilers gebruikt. Na het in ongebruik raken van de meilers bleven deze als zwartgeblakerde gaten in de grond achter, met op de bodem een laag fijne houtskoolresten dat te klein was om te winnen. Soms is er ook nog een rand om de kuil te herkennen, gevormd door resten van de toplaag van aarde die gebruikt werd om het hout af te dekken. Deze oorspronkelijke vorm is niet altijd meer te herkennen doordat sommige meilers bedekt zijn geraakt met sediment. Vooral in zandrijke gebieden zijn veel houtskoolmeilers overstoven met stuifzand na de grootschalige houtkap. Door de ontbossing wordt de bodem minder goed vastgehouden en kan deze makkelijker gaan stuiven. Bodemerosie treedt op en het zand wordt geremobiliseerd. Tijdens archeologische opgravingen zijn de resten wel terug te vinden, de donkere houtskool steekt duidelijk af tegen het omliggende sediment.

Gebakken klei
Afb. 4. Een houtskoolmeiler in de Jura, deels overwoekerd door vegetatie, wordt makkelijk over het hoofd gezien. Als je goed kijkt is deze zichtbaar als een diep rechthoekig gat in de grond. Foto: Maaike Zwier.
Afb. 5. Gebakken klei met roodbruine kleur uit een houtskoolmeiler in de Franse Jura. Foto: Maaike Zwier.
Houtskoolmeiler in de Franse Jura gegraven in het kleipakket boven op de kalksteen. Resten gebakken klei en houtskool worden langs de helling afgespoeld en verzamelen in colluvium onder aan de helling.
In de Franse Jura nabij Clairvaux-les-Lacs namen Kees Kasse en Hans Renssen ons tijdens het tweedejaars veldwerk van de Bachelor Aardwetenschappen aan de VU mee om de resten van enkele recente houtskoolmeilers te bestuderen (afb. 4). De meilers zijn niet al te groot en zullen vooral houtskool voor lokaal gebruik geproduceerd hebben.

In de Jura gebeurt er echter iets zeer interessantst door de samenstelling van de bodem. Op sommige locaties dagzoomt een kleipakket boven op een kalk. De houtskoolmeilers werden in de kleilaag gegraven en door de hoge temperaturen in de meiler werd de klei gebakken! De klei werd hard en kreeg een dieprode kleur. Doordat de houtskoolmeilers al een tijd verlaten zijn, is die kleur nu niet meer direct te zien. De kuilen zijn inmiddels bedekt met nieuwgevormde aarde en overgroeid met vegetatie (afb. 4), maar met een snelle draai van de grondboor is de gebakken klei al te bereiken (afb. 5).

Bewijs voor de aanwezigheid van houtskoolmeilers is ook verder weg van de bossen aanwezig. Kleine stukjes gebakken klei, houtskool en verweerde klei zijn te vinden in lagergelegen gebieden. Het materiaal spoelt af en verzamelt zich aan de voet van de helling (afb. 6). Na verloop van tijd kan het materiaal ter plaatse een flink pakket vormen. Deze pakketten worden ook wel colluvium genoemd; afgespoeld bodemmateriaal.

Dit proces is niet uniek voor gebieden waar meilers voorkomen, maar het materiaal dat in de Jura in het colluvium te vinden is wel. Zo heeft een plaatselijke constructie van de mens opeens een veel wijd verspreidere invloed.

Bronnen
  • Agriculture Organization of the United Nations. Forestry Dept, & Agriculture Organization of the United Nations. Mechanical Wood Products Branch. (1983). Simple technologies for charcoal making (Vol. 41). Food & Agriculture Org.
  • Rösler, H., Bönisch, E., Schopper, F., Raab, T., & Raab, A. (2012). Pre-industrial charcoal production in southern Brandenburg and its impact on the environment. Landscape Archaeology between Art and Science, 167-178.
  • Oosthoek encyclopedie (geraadpleegd15 april 2020.)
  • In het GEA-nummer 1 van 2001 noemden Kasse en de Vries de houtskoolmeilers al kort. In het artikel is ook een algemene beschrijving te vinden over de morfologische geschiedenis van de Jura.